7. De werknemer voert aan dat het ontslag om dringende reden laattijdig werd gegeven. De feiten dateren van 3 maart; het ontslag volgde pas op 14 maart, ruim na de termijn van drie werkdagen van artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
8. De werkgever werpt op dat de termijn pas begon te lopen na het interne onderzoek, dat op 11 maart werd afgerond met het verhoor van de werknemer.
9. Het ontslag om dringende reden moet worden gegeven binnen drie werkdagen nadat de werkgever kennis kreeg van de feiten. Die kennis is er wanneer de werkgever over voldoende zekerheid beschikt om met kennis van zaken over de dringende reden te oordelen.
10. Een onderzoek dat nodig is om die zekerheid te krijgen, kan het begin van de termijn uitstellen, op voorwaarde dat het zonder talmen gebeurt. Het hof stelt vast dat het verhoor van 11 maart nodig was om de versie van de werknemer te kennen.
11. Het ontslag van 14 maart werd binnen de termijn gegeven en is niet laattijdig.
