Weigering erkenning van burn-out als beroepsziekte wettig, oordeelt Ger.EU
Het Europees Parlement mocht weigeren de burn-out van een voormalig ambtenaar als beroepsziekte te erkennen na een medisch verslag dat wees op eerdere medische klachten uit 2010.
Foto: Craig Lovelidge (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)
Korte samenvatting
Het Gerecht van de Europese Unie oordeelt dat het Europees Parlement de aanvraag van een voormalig ambtenaar om een burn-out als beroepsziekte te erkennen, terecht heeft afgewezen. Omdat psychische stoornissen niet op de Europese lijst van beroepsziekten staan, rustte de bewijslast voor een direct causaal verband op de aanvrager. De medische commissie stelde echter vast dat fysieke complicaties uit 2010 de hoofdoorzaak vormden. Het feit dat de door de werknemer aangeduide arts weigerde het medisch verslag te ondertekenen, doet geen afbreuk aan de regelmatigheid van de beslissing.
Bron: Ger.EU 4 november 2026, nr. T-191/25. (opent in nieuw tabblad)
Het Gerecht van de Europese Unie (Ger.EU) heeft het beroep verworpen van een voormalig ambtenaar die eiste dat zijn burn-out als beroepsziekte werd erkend. Het Europees Parlement mocht de aanvraag weigeren op basis van een medisch meerderheidsadvies, ondanks het verzet van de door de ambtenaar zelf aangestelde arts.
De betrokkene werd in mei 2017 wegens invaliditeit op rust gesteld. Twee jaar later diende de oud-medewerker een aanvraag in om zijn aandoening, omschreven als een ernstig depressief syndroom en burn-out, te laten erkennen als beroepsziekte op grond van het Ambtenarenstatuut.
Na een negatief ontwerpbesluit verzocht de gewezen ambtenaar om het advies van een medische commissie van drie artsen. Twee van de drie artsen concludeerden dat de aandoening noch op de Europese lijst van beroepsziekten stond, noch haar oorzaak vond in de uitoefening van de functies. De door de verzoeker aangewezen arts weigerde het verslag te ondertekenen, waarop het Parlement de aanvraag definitief afwees.
Geen procedurele fouten
Voor het Ger.EU voerde de verzoeker aan dat het medisch college onregelmatig was samengesteld en dat het collegialiteitsbeginsel was geschonden. Volgens de verzoeker had de door het Parlement aangeduide arts een belangenconflict en was zijn eigen vertrouwensarts buitenspel gezet.
Het Gerecht verwerpt die bezwaren. Het Ambtenarenstatuut voorziet niet in een wrakingsrecht voor artsen en de instelling mocht een arts aanduiden die het medisch dossier al kende. Bovendien heeft de arts van de verzoeker herhaaldelijk schriftelijke opmerkingen kunnen indienen, die ook aan het dossier zijn toegevoegd. Dat een commissielid weigert te tekenen, ontneemt de meerderheidsbeslissing haar geldigheid niet.
Tot slot oordeelt de rechter dat burn-out volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) geen opzichzelfstaande ziekte is maar een werkgerelateerd verschijnsel. Aangezien de aandoening niet op de Europese lijst van beroepsziekten staat, rustte de bewijslast van een direct causaal verband volledig op de betrokkene. De medische commissie motiveerde omstandig dat eerdere complicaties na een operatie in 2010 aan de basis lagen van de klachten.
Deze uitspraak bevestigt de strikte bewijslast voor EU-ambtenaren die psychische klachten als beroepsziekte willen laten kwalificeren. Zolang psychische aandoeningen niet op de Europese lijst van beroepsziekten worden opgenomen, volstaat de aanwezigheid van werkstress niet en moeten betrokkenen het onomstotelijke medische oorzakelijke verband aantonen.
Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: Ger.EU 4 november 2026, nr. T-191/25. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.