Vreemdeling moet gewijzigde situatie aantonen om verouderd verhoor aan te vechten
Een Peruaanse man vocht zijn uitwijzingsbevel aan omdat zijn laatste verhoor bijna een jaar oud was. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep bij gebrek aan enig bewijs van gewijzigde omstandigheden.
Foto: Oskar Kadaksoo (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)
Korte samenvatting
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep van een afgewezen Peruaanse asielzoeker tegen een bevel om het grondgebied te verlaten. De man klaagde dat de overheid hem niet opnieuw had gehoord, hoewel er bijna een jaar zat tussen zijn administratieve ondervraging en de beslissing. Volgens de Raad leidt een schending van het hoorrecht naar Europees recht enkel tot nietigverklaring wanneer de besluitvorming zonder die onregelmatigheid anders had kunnen uitdraaien. Aangezien de man geen gewijzigde gezins- of leefsituatie bewees en een verblijf van anderhalf jaar op zich geen beschermenswaardig privéleven oplevert, blijft het uitwijzingsbevel integraal overeind.
Bron: RvV 31 augustus 2026, nr. 352.119. (opent in nieuw tabblad)
Een bevel om het grondgebied te verlaten wordt niet automatisch ongeldig wanneer het steunt op een administratief verhoor van bijna een jaar eerder. Dat bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een zaak aangespannen door een Peruaanse man na de afwijzing van zijn asielaanvraag.
De man reisde in januari 2025 België binnen en diende een verzoek om internationale bescherming in. Tijdens een administratief verhoor in juni 2025 gaf hij te kennen dat hij ongehuwd was en geen minderjarige kinderen of andere familieleden had in de Europese Unie. Nadat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zijn asielaanvraag in oktober 2025 definitief had geweigerd, vaardigde de Dienst Vreemdelingenzaken op 30 april 2026 een bevel uit om het grondgebied te verlaten.
De verzoeker stapte naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voerde aan dat de overheid zijn hoorrecht had geschonden. Er zat immers bijna een jaar tussen het verhoor en het uiteindelijke bevel. In die periode had hij naar eigen zeggen een sociaal en economisch leven in België opgebouwd, waardoor de overheid hem opnieuw had moeten horen alvorens een belangenafweging onder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te maken.
Geen concrete elementen
De Raad volgt die redenering niet en verwijst naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Een schending van het hoorrecht kan volgens het Unierecht pas tot de nietigverklaring van een besluit leiden als de administratieve procedure zonder dat verzuim een andere uitkomst had kunnen kennen.
De Peruaan bracht echter geen enkel bewijs bij dat zijn familiale of persoonlijke toestand sinds het eerste verhoor was gewijzigd. Daarnaast oordeelt het rechtscollege dat een louter verblijf van anderhalf jaar op zich niet volstaat om een beschermenswaardig privéleven te staven. Omdat de man geen concrete gegevens aanbracht over zijn integratie of sociale banden, toonde hij niet aan dat een nieuw verhoor het besluit had kunnen veranderen.
Vreemdelingen die een verwijderingsbesluit willen aanvechten wegens een gebrek aan recent onderzoek, moeten concreet bewijzen dat hun situatie intussen wezenlijk veranderde. Een louter tijdsverloop of een louter beroep op de verblijfsduur levert volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending van het hoorrecht op.
Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: RvV 31 augustus 2026, nr. 352.119. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.