Gerechtelijk rechtGerechtskostenAdvocatuur & juridische beroepenVennootschapsrecht

Voormalig advocaat moet geïnde rechtsplegingsvergoeding doorstorten aan fiscus

Een voormalig departementsadvocaat moet 6.600 euro aan rechtsplegingsvergoedingen doorstorten aan de Belgische Staat, vermeerderd met interesten en schadevergoeding. De ondernemingsrechtbank blijft bevoegd, ook al was de man ten tijde van de dagvaarding al geschrapt als advocaat en ondernemer.

a bank sign lit up in the dark

Foto: POURIA 🦋 (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

Een voormalig advocaat die na zijn schrapping van het tableau een rechtsplegingsvergoeding van 6.600 euro liet storten op zijn derdenrekening en verzuimde die door te storten aan zijn voormalige cliënt, de Belgische Staat, moet het bedrag integraal terugbetalen met vergoedende intresten en een schadevergoeding van 660 euro. De Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel oordeelt dat zij bevoegd blijft voor handelingen gesteld in het kader van een vroegere beroepsactiviteit en bevestigt dat de rechtsplegingsvergoeding uitsluitend toekomt aan de partij zelf.

Bron: Orb. Brussel (Nl.) 31 juli 2026, nr. A/2025/04214. (opent in nieuw tabblad)

Een advocaat die na de stopzetting van zijn stage of tableau-inschrijving nog procesvergoedingen int op zijn voormalige derdenrekening, moet die integraal overmaken aan zijn cliënt. Dat heeft de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel beslist in een geschil tussen de Belgische Staat en een gewezen departementsadvocaat van de fiscus.

De man trad jarenlang op als departementsadvocaat voor de Federale Overheidsdienst Financiën. In februari 2022 behaalde hij voor de fiscus nog een gunstig arrest voor het hof van beroep te Brussel, waarin de tegenpartij werd veroordeeld tot de proceskosten.

Kort voor dat arrest liet de advocaat zich schrappen van het tableau van de balie, waardoor ook zijn mandaat als departementsadvocaat met terugwerkende kracht eindigde. Desondanks stuurde hij in maart 2022 een e-mail naar de tegenpartij met het verzoek om 6.600 euro aan rechtsplegingsvergoedingen te storten op zijn derdenrekening. De bewindvoerder van de tegenpartij betaalde dat bedrag prompt.

Bevoegdheid ondernemingsrechtbank

De Belgische Staat werd niet op de hoogte gebracht en zag de gelden nooit verschijnen. Toen herhaalde aanmaningen niets opleverden en de ex-advocaat stelde dat zijn derdenrekening intussen was afgesloten, trok de fiscus naar de ondernemingsrechtbank.

De verweerder wierp op dat de ondernemingsrechtbank onbevoegd was omdat hij ten tijde van de dagvaarding al lang geen ondernemer meer was. De rechtbank verwierp die exceptie: de hoedanigheid van onderneming moet worden beoordeeld op het tijdstip van de betwiste handelingen. In maart 2022 presenteerde de man zich immers nog steeds als advocaat en hielden de handelingen rechtstreeks verband met zijn eerdere beroepspraktijk.

Ten gronde herinnert de rechtbank eraan dat een rechtsplegingsvergoeding volgens artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek een forfaitaire vergoeding is die uitsluitend toebehoort aan de in het gelijk gestelde partij zelf. De voormalige advocaat mocht het bedrag dan ook niet behouden.

Wie als advocaat of voormalig mandataris gelden ontvangt die toekomen aan een cliënt, kan zich na stopzetting van de praktijk niet aan de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank onttrekken voor vorderingen die voortvloeien uit die beroepsactiviteit. Bovendien riskeren mandatarissen bij het achterhouden van proceskostenvergoedingen naast de hoofdsom en intresten ook een forfaitaire schadevergoeding wegens administratieve lasten.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: Orb. Brussel (Nl.) 31 juli 2026, nr. A/2025/04214. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.