Verhuurder zonder weet van bewoning vrijgesproken, oordeelt hof van beroep Gent
Een verhuurder die in het contract expliciet liet opnemen dat een verdieping niet bewoond mocht worden, ontloopt in beroep een boete van 8.000 euro.
Foto: Seb Doe (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)
Korte samenvatting
Het hof van beroep Gent heeft een eigenaar en diens vennootschap vrijgesproken van inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen van 2021. De beklaagden werden vervolgd voor het verhuren van een niet-conforme en overbewoonde woning, maar hadden in het contract uitdrukkelijk verboden om de verdieping als verblijfplaats te gebruiken. Omdat de eigenaar niet wist dat er toch mensen verbleven en de bewoners hem nooit hadden gezien, ontbrak het vereiste morele element.
Bron: HvB Gent 2 oktober 2026, nr. anonymised. (opent in nieuw tabblad)
Wie een pand verhuurt met een uitdrukkelijk contractueel verbod op bewoning, kan niet zomaar strafrechtelijk worden veroordeeld voor het aanbieden van een niet-conforme woning. Dat blijkt uit een arrest van het hof van beroep Gent, dat een eigenaar en diens vennootschap vrijsprak nadat de rechtbank in eerste aanleg nog zware boetes had opgelegd.
De beklaagden werden vervolgd voor het ter beschikking stellen van een niet-conforme en overbewoonde woning op grond van artikel 3.34 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. De correctionele rechtbank veroordeelde de eigenaars en hun vennootschap in eerste aanleg tot geldboetes van 4.000 tot 24.000 euro en beval herstelwerken onder verbeurte van een dwangsom van 200 euro per dag.
In beroep toetste het hof het vereiste opzet aan het op 1 september 2026 in werking getreden Strafwetboek 2024. Volgens artikel 7 van dit wetboek veronderstelt het moreel bestanddeel dat iemand bewust en uit vrije wil handelt, wat inhoudt dat de betrokkene met kennis van zaken het strafbare gedrag stelt.
Geen weet van bewoning
Om tot een veroordeling te komen, moest vaststaan dat de verhuurders wisten of behoorden te weten dat het pand gebreken vertoonde én dat het daadwerkelijk door derden werd bewoond. Uit het dossier bleek evenwel dat in de terbeschikkingstellingsovereenkomst uitdrukkelijk was bedongen dat de eerste verdieping niet als woonst mocht dienen.
Bovendien verklaarden de bewoners aan de wooninspectie dat zij de eigenaar nooit hadden ontmoet. De beklaagde bezocht het pand slechts tweemaal zonder de slaapvertrekken te betreden, en er waren geen leegstandsheffingen of inschrijvingen in het bevolkingsregister die op bewoning wezen.
Omdat de overige belastende verklaringen afkomstig waren van een partij met tegengestelde belangen, oordeelde het hof dat er redelijke twijfel bestond over het moreel element. Het hof sprak alle beklaagden vrij en wees de herstelvordering van de wooninspecteur af.
De uitspraak verduidelijkt dat een veroordeling wegens inbreuken op de woningkwaliteitsnormen vereist dat de verhuurder daadwerkelijk weet had van de bewoning. Eigenaars die contractueel een woonverbod opleggen en geen concrete signalen van bewoning ontvangen, kunnen bij gebrek aan moreel opzet niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.
Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: HvB Gent 2 oktober 2026, nr. anonymised. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.