Burgerlijk rechtGrondwettelijk recht

Vaderschapserkenning onder dwang: termijn om te betwisten is ongrondwettig

Een man die onder aanhoudend partnergeweld het kind van zijn echtgenote erkende, mag die erkenning ook na de wettelijke termijn van één jaar aanvechten. De verjaringstermijn mag pas ingaan zodra het geweld is beëindigd.

a man sitting on a bench in front of a building

Foto: Colin Lloyd (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de wettelijke termijn om een vaderschapserkenning te betwisten het gelijkheidsbeginsel en het recht op privéleven schendt wanneer de erkenning onder dwang plaatsvond. Volgens het oud Burgerlijk Wetboek moet de vordering worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking dat er geen biologische band is. Die regeling hield echter geen rekening met situaties waarin de erkenner altijd al wist dat hij niet de vader was en de situatie van partnergeweld langer dan een jaar bleef voortduren. Familierechters moeten die wettelijke leemte opvangen door het gemene contractenrecht naar analogie toe te passen.

Bron: GwH 10 september 2026, nr. 94/2026. (opent in nieuw tabblad)

Wie onder zware fysieke of mentale dwang een kind erkent, verliest niet automatisch het recht om die erkenning aan te vechten zodra er twaalf maanden zijn verstreken. Dat oordeelt het Grondwettelijk Hof in een zaak waarin een man pas na zijn echtscheiding en politioneel vastgesteld partnergeweld naar de familierechter kon stappen. De wettelijke vervaltermijn van één jaar ontzegde hem anders elke effectieve toegang tot de rechter.

De zaak draait om een man die in mei 2023 het vaderschap erkende over de dochter van zijn toenmalige partner, terwijl hij wist dat hij niet de biologische vader was. Kort na hun huwelijk escaleerde de relatie, wat leidde tot een ziekenhuisopname na een zelfmoordpoging en politievaststellingen van zware mishandeling door zijn echtgenote.

Pas nadat hij de echtelijke woning had verlaten en de echtscheiding begin 2025 werd uitgesproken, vorderde de man bij de familierechtbank in Luik de vernietiging van de erkenning wegens een wilsgebrek door geweld.

Leemte in het afstammingsrecht

De familierechter stelde vast dat er duidelijke aanwijzingen waren van onrechtmatige dwang op het ogenblik van de erkenning. Toch dreigde de vordering te stranden op artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat een betwisting binnen een jaar na de ontdekking van de ontbrekende biologische band moet worden ingesteld.

Omdat de man de biologische realiteit al vanaf de geboorte kende en het geweld pas na die termijn van een jaar ophield, was een tijdige vordering in de praktijk onmogelijk.

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de wetgever ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen een wilsgebrek door dwaling en een wilsgebrek door geweld. Bij dwaling is het logisch dat de termijn loopt vanaf de ontdekking van de werkelijkheid, maar bij geweld verdwijnt het wilsgebrek pas wanneer de dwang effectief ophoudt.

Door beide situaties gelijk te behandelen, ontzegt de wet de rechter de mogelijkheid om een concrete belangenafweging te maken. Dat schendt het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en het recht op privéleven.

Familierechters moeten deze leemte in de wetgeving voortaan rechtstreeks opvangen door het gemene verbintenissenrecht naar analogie toe te passen. Voor vorderingen tot nietigverklaring van een vaderschapserkenning wegens geweld begint de verjaringstermijn van één jaar pas te lopen op de dag dat de toestand van dwang daadwerkelijk is beëindigd.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: GwH 10 september 2026, nr. 94/2026. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.