Onbetaalde bedrijfsvoorheffing: passief debiteurenbeheer leidt tot bestuurdersaansprakelijkheid
Acht kwartalen niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing kosten een bestuurder ruim 52.000 euro aan persoonlijke aansprakelijkheid. Ziekte in de familie en een wanbetalende klant weerleggen het wettelijke foutvermoeden niet.
Foto: Giorgio Tomassetti (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)
Korte samenvatting
De ondernemingsrechtbank Gent heeft de bewindvoerder van een voormalig bestuurder veroordeeld tot de betaling van 52.437,86 euro aan achterstallige bedrijfsvoorheffing van diens failliete vennootschap. Omdat de onderneming acht kwartalen op rij geen voorheffing doorstortte, gold een wettelijk vermoeden van bestuursfout op grond van artikel 51 WMGI. De bestuurder probeerde dat vermoeden te weerleggen door te wijzen op zware familiale ziekte en wanbetaling door een hoofdklant. De rechtbank oordeelde echter dat het gebrek aan facturatie en het uitblijven van enige invordering getuigen van passief beleid, waardoor het wettelijk vermoeden overeind bleef.
Bron: Orb. Gent 27 augustus 2026, nr. O/25/00788. (opent in nieuw tabblad)
Een bestuurder van een failliet auditbedrijf moet persoonlijk 52.437,86 euro aan achterstallige bedrijfsvoorheffing ophoesten. Dat besliste de ondernemingsrechtbank Gent nadat bleek dat de man prestaties maandenlang niet factureerde en openstaande vorderingen op klanten niet invorderde.
De vordering van de FOD Financiën was gesteund op artikel 51 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (WMGI). Die bepaling vestigt een wettelijk vermoeden van bestuursfout wanneer een vennootschap herhaaldelijk nalaat haar bedrijfsvoorheffing of btw te voldoen.
De onderneming liet acht opeenvolgende kwartalen aan bedrijfsvoorheffing onbetaald vanaf het derde kwartaal van 2023. Daarmee was voldaan aan de wettelijke drempel voor herhaalde niet-betaling, waardoor de bewijslast automatisch verschoof naar de bestuurder.
Geen overmacht
De bestuurder beriep zich op ernstige familiale en operationele moeilijkheden. Zijn echtgenote, die de boekhouding verzorgde, werd dementerend en later onder bewind geplaatst. Ook de dochter die de taken overnam, belandde onder bewind. Bovendien bleef een hoofdafnemer achter met de betaling van facturen voor een bedrag van ruim 341.000 euro na het verlies van een accreditatie.
De rechtbank veegde die argumenten van tafel. Uit de stukken bleek dat tientallen uitgevoerde audits nooit werden gefactureerd en dat er na verontruste e-mails geen enkele formele ingebrekestelling naar de wanbetaler werd gestuurd. Bovendien ontbraken de jaarrekeningen voor 2023 en 2024 in het dossier.
Volgens de rechtbank had de bestuurder de financiële toestand van de vennootschap niet accuraat opgevolgd en nagelaten voor voldoende liquiditeiten te zorgen. Die passiviteit belette dat hij zich met succes op overmacht of uitsluitend externe financiële problemen kon beroepen.
Het vonnis onderstreept dat een faillissement een bestuurder niet automatisch vrijstelt van het fiscale vermoeden van fout. Wie aan hoofdelijke aansprakelijkheid voor fiscale schulden wil ontsnappen, moet aantonen dat de niet-betaling uitsluitend het gevolg is van externe financiële moeilijkheden en dat de eigen financiële en administratieve opvolging te allen tijde zorgvuldig bleef.
Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: Orb. Gent 27 augustus 2026, nr. O/25/00788. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.