Fiscaal rechtVennootschapsrecht

Niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing: bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor belastingschuld

Twee vennoten moeten ruim 11.800 euro aan achterstallige bedrijfsvoorheffing en verhogingen van hun vennootschap uit eigen zak betalen. Zij kregen van de rechter wel eenmalig respijt tot eind juli 2026.

office desk with smartphone and financial charts

Foto: Jakub Żerdzicki (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

De Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel heeft twee bestuurders van een vennootschap hoofdelijk veroordeeld tot de betaling van openstaande bedrijfsvoorheffing en bijbehorende verhogingen. De fiscus vorderde na eerdere deelbetalingen nog 11.885,85 euro. Omdat de bedrijfsvoorheffing maandenlang niet was doorgestort, oordeelde de rechtbank dat aan alle voorwaarden voor bestuurdersaansprakelijkheid onder het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (WMGI) en het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht was voldaan. De verweerders betwistten de schuld niet en kregen eenmalig uitstel van betaling tot 31 juli 2026.

Bron: Orb. Brussel (Nl.) 10 juli 2026, nr. O/2026/00762. (opent in nieuw tabblad)

Wanneer een vennootschap haar bedrijfsvoorheffing structureel niet doorstort aan de Schatkist, kunnen de bestuurders daarvoor persoonlijk worden aangesproken. De Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel paste die regel toe op twee vennoten van wie de vennootschap aanvankelijk bijna 25.000 euro aan fiscale schulden had opgebouwd.

De Belgische Staat trok naar de rechtbank nadat een vennootschap maandenlang had nagelaten om de ingehouden bedrijfsvoorheffing door te storten. Op het moment van dagvaarding bedroeg de openstaande belastingschuld 24.927,71 euro.

Tijdens de procedure verlaagde de vordering tot 11.885,85 euro door enkele tussentijdse betalingen en een teruggave in de vennootschapsbelasting. De fiscus vorderde dit resterende saldo rechtstreeks van de twee bestuurders op basis van artikel 51 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (WMGI) en de artikelen 6.5 en 6.6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Bestuursfout erkend

De verweerders betwistten noch de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering. De ondernemingsrechtbank stelde vast dat het herhaaldelijk niet-doorstorten van de voorheffing een duidelijke bestuursfout uitmaakt en dat de fiscus de vereiste kennisgevingen tijdig had verstuurd.

Voor de bedrijfsvoorheffing in hoofdsom en de fiscale nalatigheidsinteresten oordeelde de rechter de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor 10.985,85 euro. De verhogingen van 900,00 euro werden toegekend als schadevergoeding op grond van artikel 6.5 BW, vermeerderd met wettelijke interesten.

De bestuurders vroegen enkel uitstel van betaling tot eind juli 2026 om de nodige fondsen te verzamelen. Omdat de fiscus daar geen bezwaar tegen maakte zodra een uitvoerbare titel voorlag, kende de rechtbank dit respijt toe, onder het beding dat bij niet-tijdige betaling het volledige saldo direct opeisbaar wordt.

Dit vonnis herinnert bestuurders eraan dat het niet doorstorten van bedrijfsvoorheffing een ernstige fout vormt die rechtstreeks tot persoonlijke, hoofdelijke aansprakelijkheid leidt. Wie de vordering niet betwist, kan hoogstens hopen op een strikt betalingsuitstel, maar ontsnapt niet aan nalatigheidsinteresten en de procedurekosten.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: Orb. Brussel (Nl.) 10 juli 2026, nr. O/2026/00762. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.