Naamskeuze bij vaderlijke erkenning: uitsluiting meerderjarige is ongrondwettig

Een man die op 24-jarige leeftijd door zijn vader werd erkend, mocht diens achternaam niet aannemen onder het toenmalige afstammingsrecht. Het Grondwettelijk Hof noemt die uitsluiting discriminerend.

A university degree certificate with a red seal and two signatures

Foto: Lewis Keegan (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat het vroegere artikel 335 van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM schendt. De bepaling liet een meerderjarig kind dat vrijwillig door zijn vader werd erkend niet toe om diens familienaam aan te nemen, terwijl dat bij een gerechtelijke betwisting en toekenning van het vaderschap wel kon. Hoewel de wet van 19 december 2023 de wetgeving inmiddels heeft aangepast, moeten rechtbanken deze lacune ook voor eerdere erkenningen ongedaan maken.

Bron: GwH 24 september 2026, nr. 112/2026. (opent in nieuw tabblad)

Wanneer een vader zijn meerderjarige kind vrijwillig erkent, mag het kind niet worden uitgesloten van de mogelijkheid om de familienaam van de vader aan te nemen. Dat heeft het Grondwettelijk Hof beslist na een prejudiciële vraag van de familierechtbank in Dendermonde over een man die op 24-jarige leeftijd door zijn vader werd erkend.

De zaak draait om een man die in 1996 werd geboren en aanvankelijk enkel de familienaam van zijn moeder droeg. Op 24 maart 2021 werd hij met wederzijdse instemming erkend door zijn biologische vader, waarna beiden kozen om zijn achternaam, en die van zijn minderjarige zoon, te wijzigen naar de naam van de vader.

Twee jaar later vorderde de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Aalst echter de verbetering van die akten. Onder het toenmalige artikel 335 van het oud Burgerlijk Wetboek bleef de naam van een meerderjarig kind bij een latere vrijwillige erkenning immers ongewijzigd, waardoor de man zijn moedersnaam opnieuw moest aannemen.

Ongerechtvaardigd onderscheid

Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat de wet een ongerechtvaardigd verschil in behandeling creëerde. Meerderjarigen van wie de vaderlijke afstamming via een gerechtelijke procedure werd vastgesteld, mochten wel kiezen voor de naam van hun vader, terwijl die keuze werd ontzegd bij een vrijwillige erkenning via de burgerlijke stand.

Volgens het Hof is de wijze waarop het vaderschap juridisch vast komt te staan geen pertinent criterium om het recht op naamskeuze te weigeren. Het recht om een familienaam te dragen raakt immers aan de bescherming van het privéleven onder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).

Dat de betrokkene eventueel een administratieve naamsverandering kon aanvragen, doet aan die discriminatie geen afbreuk. Een dergelijke procedure heeft immers een andere finaliteit en heft het fundamentele verschil in het afstammingsrecht niet op.

Hoewel de wetgever de regeling sinds 1 maart 2024 heeft aangepast via de wet van 19 december 2023, ontbrak een overgangsregeling voor oudere situaties. Omdat het Grondwettelijk Hof de wettelijke lacune nauwkeurig heeft vastgesteld, kunnen familierechters en ambtenaren van de burgerlijke stand de naamskeuze nu ook rechtstreeks toepassen op erkenningen die vóór die wetswijziging plaatsvonden.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: GwH 24 september 2026, nr. 112/2026. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.