Minimale bezitsduur geldt niet per aandeel voor dividendvrijstelling, stelt AG HvJ
De Portugese staatsbank CGD kreeg slechts 50 procent belastingaftrek op dividenden uit participaties van ruim 30 miljoen euro omdat niet alle aandelen minstens een jaar werden aangehouden. Advocaat-generaal Juliane Kokott adviseert het Hof van Justitie dat die eis in strijd is met het Unierecht.
Foto: POURIA 🦋 (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)
Korte samenvatting
Advocaat-generaal Juliane Kokott concludeert dat de Europese Moeder-dochterrichtlijn zich verzet tegen een nationale regeling die de belastingvrijstelling van dividenden weigert voor aandelen die nog geen jaar worden aangehouden, wanneer de moedermaatschappij als geheel al aan de minimale deelnemingsvoorwaarden voldoet. De minimale bezitsduur dient volgens haar uitsluitend om de status van moedermaatschappij vast te stellen, en mag niet aandeel per aandeel worden geëist bij het toekennen van de vrijstelling. Ook in zuiver interne situaties waarin een lidstaat de Europese regels vrijwillig toepast, is het Hof bevoegd om daarover uitspraak te doen.
Bron: HvJ 22 oktober 2026, nr. C-633/25. (opent in nieuw tabblad)
Wanneer een moedervennootschap dividenden ontvangt van haar dochterondernemingen, mag een lidstaat de fiscale vrijstelling niet per individueel aandeel afhankelijk maken van een minimale bezitsduur. Dat stelt advocaat-generaal Juliane Kokott in haar conclusie aan het Hof van Justitie (HvJ) in een geschil tussen de Portugese bank Caixa Geral de Depósitos (CGD) en de belastingdienst.
De Portugese bank CGD bezat in vier binnenlandse vennootschappen belangen met een aanschafwaarde van telkens meer dan 30 miljoen euro. Bij een herziening van de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2003 eiste de bank de volledige aftrek van de ontvangen dividenden op om economische dubbele belasting te vermijden.
De Portugese fiscus kende echter slechts een aftrek van 50 procent toe. Volgens de administratie had de bank niet alle specifieke aandelen waarop de dividenden betrekking hadden minstens een ononderbroken jaar in bezit gehad, zoals de nationale wetgeving vereiste.
Tweetrapsraket van de richtlijn
Volgens de advocaat-generaal schendt die restrictieve lezing de systematiek van de Moeder-dochterrichtlijn. De richtlijn hanteert een duidelijke aanpak in twee stappen: eerst wordt bepaald of een vennootschap als moedervennootschap kwalificeert op basis van een minimumdeelneming en bezitsduur, waarna bij een positief antwoord de volledige fiscale neutraliteit geldt voor alle uitgekeerde winsten.
Het uitsluiten van specifieke aandelenpakketten die korter worden aangehouden, doorkruist volgens Kokott het doel van de regeling en zou ondernemingen opzadelen met een buitensporige administratieve bewijslast. Bovendien biedt de minimale aanhoudingsperiode voor de hoofddeelneming al voldoende bescherming tegen fiscaal misbruik, waardoor een toetsing per individueel aandeel overbodig is.
Als het Hof van Justitie dit advies volgt, mogen fiscale administraties de deelnemingsvrijstelling op dividenden niet langer inperken voor recent bijgekochte aandelen, zolang de algemene kwalificatie als moedermaatschappij vaststaat. Dat biedt internationaal en nationaal opererende holdings meer rechtszekerheid en verlicht de administratieve opvolging van aandelenportefeuilles.
Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: HvJ 22 oktober 2026, nr. C-633/25. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.