Sociaal rechtPensioenenGrondwettelijk rechtGelijkheid & non-discriminatie

Kandidaat-gepensioneerden zien schorsing van pensioenhervorming afgewezen

Een werkneemster eiste de schorsing van een bepaling over fictieve loopbaandagen in de recente pensioenhervorming. Het Grondwettelijk Hof verklaart de vordering kennelijk onontvankelijk wegens een gebrek aan concreet nadeel.

a calendar with red push buttons pinned to it

Foto: Towfiqu barbhuiya (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

Het Grondwettelijk Hof heeft een vordering tot schorsing van artikel 19, 5° van de pensioenhervormingswet van 30 mei 2026 kennelijk onontvankelijk verklaard. Een individuele werkneemster vocht de regeling aan die vijf fictieve voltijds equivalente dagen toekent om te voldoen aan de loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen, stellende dat de wet een ongerechtvaardigd onderscheid maakt met werknemers in hun eerste loopbaanjaar. De beperkte kamer van het Hof stelde vast dat het verzoekschrift geen enkel concreet gegeven bevatte over het ernstige en moeilijk te herstellen nadeel dat de verzoekster zelf zou lijden.

Bron: GwH 10 september 2026, nr. 97/2026. (opent in nieuw tabblad)

Wie een wettelijke bepaling wil laten schorsen door het Grondwettelijk Hof, moet nauwkeurig aantonen welk persoonlijk nadeel de onmiddellijke inwerkingtreding veroorzaakt. Dat blijkt opnieuw uit een arrest van het Grondwettelijk Hof over de wet van 30 mei 2026 tot hervorming van de pensioenen. Een werkneemster die opkwam tegen de nieuwe loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen, zag haar schorsingsberoep meteen stranden.

De betwiste bepaling wijzigt het koninklijk besluit van 23 december 1996 over de modernisering van de sociale zekerheid en de wettelijke pensioenregelingen. Om vervroegd met pensioen te kunnen gaan, geldt doorgaans een vereiste loopbaan van minstens 42 jaar, waarbij gewerkte kalenderjaren moeten voldoen aan een minimale tewerkstellingsgraad.

De wetgever voegde een regel toe die bepaalt dat voor de algemene loopbaanvereiste vijf fictieve voltijdse equivalentdagen in aanmerking worden genomen. De verzoekster stelde dat deze maatregel discrimineert ten nadele van werknemers die in hun eerste loopbaanjaar minder dan een derde van een voltijdse betrekking hebben gewerkt, omdat zij die fictieve dagen niet op dezelfde manier zouden genieten.

Geen concreet nadeel

Volgens de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof kan een wet slechts worden geschorst wanneer de verzoeker middelen van vernietiging aanvoert én aantoont dat de onmiddellijke uitvoering een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel berokkent. Het verzoekschrift moet een feitenrelaas bevatten waaruit dat risico klaar en duidelijk blijkt.

De beperkte kamer van het Hof stelde vast dat het verzoekschrift uitsluitend de nietigverklaring en schorsing vorderde, zonder enig concreet gegeven over de persoonlijke situatie van de verzoekster. De loutere melding dat een eventueel verlies van het recht op vervroegd pensioen nadelig zou zijn, volstond niet om het vereiste ernstige nadeel hard te maken.

De uitspraak herinnert procespartijen eraan dat een vordering tot schorsing bij het Grondwettelijk Hof streng wordt getoetst op de ontvankelijkheidsvereisten. Zonder concrete gegevens over de hoogdringendheid en de rechtstreekse weerslag op de persoonlijke situatie van de indiener leidt het schorsingsverzoek onvermijdelijk tot een snelle onontvankelijkverklaring, al blijft het beroep tot nietigverklaring ten gronde wel aanhangig.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: GwH 10 september 2026, nr. 97/2026. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.