Invordering verbeurde dwangsommen: beslagrechter mag onmogelijkheid tot herstel niet toetsen
Twee eigenaars zagen hun pand in beslag genomen voor ruim 256.000 euro aan dwangsommen wegens achterstallig woonherstel. Hun verweer over vergunningsproblemen stuit op de strikte bevoegdheidsverdeling tussen beslag- en dwangsomrechter.
Foto: M Polinder (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)
Korte samenvatting
De beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen heeft het verzet afgewezen van twee eigenaars van wie een pand openbaar wordt verkocht wegens 256.523,03 euro aan verbeurde dwangsommen voor niet-uitgevoerd woonherstel. De eisers beriepen zich op de onmogelijkheid om de noodzakelijke stedenbouwkundige vergunningen te verkrijgen en stelden dat de gedwongen verkoop rechtsmisbruik uitmaakte. De beslagrechter oordeelt dat de beoordeling van die onmogelijkheid krachtens artikel 1385quinquies Ger.W. uitsluitend bij de dwangsomrechter ligt, waardoor de tenuitvoerlegging van de definitieve titel wettig blijft doorgaan.
Bron: Rb. Oost-Vl. 20 oktober 2026, nr. anonymised. (opent in nieuw tabblad)
De beslagrechter mag zich bij een geschil over de tenuitvoerlegging van verbeurde dwangsommen niet uitspreken over de praktische onmogelijkheid om een herstelmaatregel tijdig na te leven. Dat verduidelijkt de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen in een geschil waarin het Vlaams Gewest meer dan 250.000 euro aan dwangsommen invordert via een uitvoerend onroerend beslag.
De zaak vloeit voort uit een veroordeling door de correctionele rechtbank in juni 2020. Twee eigenaars moesten binnen tien maanden herstelwerkzaamheden uitvoeren aan een gebouw, op straffe van een dwangsom van 150,00 euro per pand en per dag vertraging. Omdat het herstel uitbleef, liep de teller op tot 256.523,03 euro. De wooninspecteur van het Agentschap Wonen in Vlaanderen legde daarop uitvoerend beslag op hun onroerend goed en liet een notaris aanstellen om het pand openbaar te verkopen.
De eigenaars tekenden derdenverzet aan tegen de aanstelling van de notaris en vroegen de opheffing of minstens de schorsing van het beslag. Zij voerden aan dat het onmogelijk was om de vereiste vergunningen te bekomen en startten opnieuw een procedure bij de dwangsomrechter om de dwangsommen te laten opheffen. Daarnaast verweten zij de overheid misbruik van beslagrecht, omdat de openbare verkoop hen met hun gezin op straat zou zetten zonder dat het herstelprobleem werd opgelost.
Bevoegdheid dwangsomrechter
De beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen oordeelt dat het derdenverzet wel ontvankelijk is, maar inhoudelijk faalt. De rechter verduidelijkt dat een beslagrechter enkel toetst of dwangsommen werkelijk verbeurd zijn op grond van een geldige en uitvoerbare titel. Zich uitspreken over de vraag of het voor de veroordeelde redelijkerwijze onmogelijk was om aan de hoofdveroordeling te voldoen, behoort exclusief toe aan de dwangsomrechter op grond van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek.
Zolang de dwangsomrechter de dwangsom niet heeft aangepast of opgeheven, blijft de eerdere rechterlijke titel onverminderd uitvoerbaar. Twee eerdere pogingen van de eigenaars bij de dwangsomrechter waren bovendien al afgewezen. Ook van rechtsmisbruik is volgens de beslagrechter geen sprake, aangezien de overheid louter een definitieve gerechtelijke titel ten uitvoer legt en daarbij binnen de grenzen van een normale rechtsuitoefening blijft.
Wie geconfronteerd wordt met de invordering van opgelopen dwangsommen via een onroerend beslag, kan de beweerde onmogelijkheid tot herstel niet met succes opwerpen voor de beslagrechter. Enkel een tijdige en gunstige beslissing van de dwangsomrechter zelf kan de uitvoerbaarheid van de titel aantasten en een openbare verkoop verhinderen.
Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: Rb. Oost-Vl. 20 oktober 2026, nr. anonymised. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.