Humanitaire regularisatie: kort verblijf en integratie vormen geen buitengewone omstandigheid

Een Turkse vrouw die na het intrekken van haar arbeidskaart regularisatie vroeg, slaagt er niet in haar bevel om het grondgebied te verlaten aan te vechten.

white airplane outdoor during daytime

Foto: Pascal Müller (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep van een Turkse vrouw tegen de onontvankelijkverklaring van haar regularisatieaanvraag en het bijhorende bevel om het grondgebied te verlaten. De vrouw toonde geen buitengewone omstandigheden aan die een tijdelijke terugkeer naar Turkije beletten om daar een verblijfsmachtiging aan te vragen. Een kort verblijf in België sinds januari 2024 en niet-onderbouwde beweringen over integratie en een gebrek aan opvang in het herkomstland maken een tijdelijke terugkeer niet onoverkomelijk.

Bron: RvV 31 augustus 2026, nr. 352.117. (opent in nieuw tabblad)

Een verblijf van ruim anderhalf jaar en een beweerde integratie volstaan niet om een regularisatieaanvraag vanuit België te mogen afwachten. Dat bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het beroep van een Turkse vrouw die na het verlies van haar arbeidskaart een aanvraag indiende op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet.

De vrouw arriveerde in januari 2024 in België met een gecombineerde vergunning als werknemer. Nadat het bevoegde gewest haar arbeidstoelating introk en een latere aanvraag onontvankelijk verklaarde, ontving zij begin 2025 een bevel om het grondgebied te verlaten. In september 2025 diende zij een regularisatieaanvraag in op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet.

De Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde de aanvraag onontvankelijk omdat er geen buitengewone omstandigheden waren aangetoond die een tijdelijke terugkeer naar Turkije verhinderen om daar een visumaanvraag in te dienen. De vrouw stelde dat zij haar leven in België had opgebouwd, samenwoont met haar partner en in Turkije niemand meer heeft om op terug te vallen.

Beoordeling van de terugkeer

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) bevestigt de beslissing van de overheid. Het rechtscollege stelt vast dat de verzoekster geen enkel concreet bewijsstuk heeft voorgelegd om haar integratie of lokale verankering in België aan te tonen.

Bovendien verbleef de vrouw ruim 44 jaar in Turkije en nog geen twee jaar in België. Haar bewering dat zij bij een terugkeer op straat zou belanden en geen sociaal netwerk meer bezit, acht de RvV niet aannemelijk gemaakt, mede gelet op mogelijke bijstand via re-integratieprogramma's van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

Ook het beroep op artikel 8 van het EVRM faalt. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mogen lidstaten van vreemdelingen eisen dat zij een verblijfsaanvraag vanuit het buitenland indienen en de uitkomst daarvan niet op het grondgebied afwachten.

Vreemdelingen die een regularisatieaanvraag indienen, moeten al bij de aanvraag zelf aantonen en bewijzen waarom een tijdelijke terugkeer naar het land van herkomst praktisch onmogelijk is. Loutere beweringen over integratie of een gebrek aan netwerk in het herkomstland volstaan niet als buitengewone omstandigheid.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: RvV 31 augustus 2026, nr. 352.117. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.