Hogere rijwoning in dorpskern veroorzaakt geen onaanvaardbare hinder, oordeelt RvVb
Een buurman in Knokke-Heist zag zijn bezwaren tegen een nieuwbouw met een nokhoogte van 10,48 meter en een verdiepingsterras stranden bij de vergunningsrechter.
Foto: Toa Heftiba (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)
Korte samenvatting
De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen tegen een omgevingsvergunning in Knokke-Heist. Een buurman verzette zich tegen de sloop van een aanpalende lage woning en de bouw van een nieuwe eengezinswoning met twee bouwlagen, een nokhoogte van 10,48 meter en een dakterras. Volgens de Raad sluit het project aan bij het heersende gabariet in de straat. Omdat in een verstedelijkte dorpskern enige hinder aanvaard moet worden en zichtschermen de inkijk beperken, is het besluit niet kennelijk onredelijk.
Bron: RvVb 5 oktober 2026, nr. RvVb-2627-0098. (opent in nieuw tabblad)
Wie een lage rijwoning bezit, kan de buren niet verplichten om even laag te blijven bouwen zolang het straatbeeld twee bouwlagen toelaat. De Raad voor Vergunningsbetwistingen verwerpt de vraag tot schorsing van een omgevingsvergunning voor een woning in Knokke-Heist waarvan de nokhoogte toeneemt tot 10,48 meter.
Een inwoner van Knokke-Heist verzette zich tegen de plannen van zijn buur in de Steenstraat. Die wilde een bestaande rijwoning met één bouwlaag slopen en vervangen door een woning met twee bouwlagen en een hellend dak. Daardoor zou de nokhoogte stijgen van 5,85 meter naar 10,48 meter en kwam er op de eerste verdieping een terras met zichtschermen van 1,80 meter hoog.
De buurman vreesde een aanzienlijk verlies van zon- en daglicht en klaagde over inkijk in zijn tuin en leefruimte. Hij voerde voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) onder meer aan dat de provincie zijn woning als een uitzondering had weggezet en de harmonieregel uit het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schond. Ook stelde hij dat de deputatie zijn woning onterecht had omschreven als een 'weinig kwalitatieve koterij'.
Geen koterij maar uitzondering
De Raad veegt die argumenten van tafel en oordeelt dat het aangevoerde middel niet ernstig is. De gewraakte passage over een koterij berustte op een verkeerde lezing van het dossier: die sloeg immers op een af te breken bijgebouw op het perceel van de bouwheer zelf, niet op het aanpalende huis van de verzoeker.
Bovendien toont de verzoeker volgens de bestuursrechter niet aan dat het vergunningsbesluit kennelijk onredelijk is. Hoewel zijn eigen woning slechts één bouwlaag telt, bestaat het dominante straatbeeld in de omgeving net uit gesloten bebouwing met twee bouwlagen en een dakvolume. Het project sluit aan bij het gabariet van de andere buur.
Tot slot wijst het rechtscollege erop dat stedenbouwkundige regels niet vereisen dat elke vorm van hinder uitgesloten wordt. In een dichtbebouwde dorpskern is enige hinder onvermijdelijk, en met een zichtscherm met een terugloop van 60 centimeter blijft de overblijvende inkijk voldoende beperkt.
De uitspraak herbevestigt dat buren in een dichtbebouwde omgeving enige hinder en schaalvergroting moeten tolereren, zolang een nieuwbouw aansluit bij het bredere referentiebeeld van de straat. Wie een vergunning op grond van hinder aanvecht, moet aantonen dat de overheid kennelijk onredelijk oordeelde en kan niet louter verlangen dat zijn eigen, lagere woning als norm geldt.
Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: RvVb 5 oktober 2026, nr. RvVb-2627-0098. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.