Gedetineerden behouden vermoeden van onschuld bij aanvraag voorwaardelijke invrijheidstelling
Een strafuitvoeringsrechter mag een voorwaardelijke invrijheidstelling niet weigeren louter op basis van een nieuwe, betwiste klacht over belaging. Het Hof van Cassatie oordeelt dat het vermoeden van onschuld ook geldt bij de beoordeling van tegenaanwijzingen.
Foto: 7500 RPM (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)
Korte samenvatting
Het Hof van Cassatie heeft een vonnis van de Antwerpse strafuitvoeringsrechter vernietigd die een voorwaardelijke invrijheidstelling weigerde na een recente klacht wegens belaging. De rechter leidde uit een proces-verbaal af dat de veroordeelde in zijn oude gewoonten was hervallen, terwijl de betrokkene de nieuwe aantijgingen formeel betwistte. Volgens het hoogste rechtscollege schendt een strafuitvoeringsrechter het vermoeden van onschuld wanneer hij een gedetineerde schuldig acht aan betwiste feiten zonder dat die schuld bij een definitieve rechterlijke beslissing is vastgesteld.
Bron: Cass. 13 oktober 2026, nr. 26/CAS/0707. (opent in nieuw tabblad)
Mag een strafuitvoeringsrechter een voorwaardelijke invrijheidstelling weigeren omdat er een proces-verbaal over een nieuwe klacht in het dossier zit? Het Hof van Cassatie oordeelt in een arrest van 13 oktober 2026 dat dit niet mag wanneer de gedetineerde die aantijgingen met klem betwist.
Een veroordeelde man vroeg bij de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen om een voorwaardelijke invrijheidstelling. De strafuitvoeringsrechter wees dat verzoek op 16 september 2026 af op grond van artikel 98/13 van de Wet Strafuitvoering, wegens een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden.
Aanleiding voor de weigering was een proces-verbaal waarin stond dat de ex-partner van de man en haar werkgever een klacht tegen hem hadden ingediend wegens belaging. De rechter leidde uit dat proces-verbaal af dat de veroordeelde opnieuw in zijn oude gewoonten was vervallen.
De veroordeelde verzette zich tegen die motivering. Hij voerde aan dat hij tijdens zijn verhoor elk nieuw strafbaar feit formeel had ontkend en dat de klacht kadert in een conflictueuze echtscheiding.
Vermoeden van onschuld
Het Hof van Cassatie oordeelt dat de strafuitvoeringsrechter over de schreef is gegaan. Bij de beoordeling van mogelijke tegenaanwijzingen moet de rechter immers steeds het vermoeden van onschuld respecteren, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Een rechter schendt dit beginsel zodra hij aanneemt dat een veroordeelde schuldig is aan nieuwe feiten die de betrokkene betwist, zolang die schuld niet definitief door een vonnis of arrest is uitgesproken. Het Hof vernietigt het vonnis en verwijst de zaak door naar een andere strafuitvoeringsrechter in Antwerpen.
Strafuitvoeringsrechters mogen bij de beoordeling van een vrijlatingsverzoek niet vooruitlopen op de strafrechter door niet-bewezen politieverslagen als vaststaand feit te hanteren. Voor de verdediging biedt het arrest een duidelijk handvat om weigeringsbeslissingen aan te vechten die louter steunen op recente, betwiste aangiftes.
Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: Cass. 13 oktober 2026, nr. 26/CAS/0707. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.