VennootschapsrechtFiscaal recht

Faillietverklaring vennootschap blijft overeind, oordeelt hof van beroep Antwerpen

De fiscus vorderde het faillissement van een vennootschap met ruim 14.000 euro aan belastingschulden. Het hof van beroep Antwerpen bevestigt het vonnis nadat de gefailleerde partij geen enkel bewijsstuk aanbracht.

Bills and calculator sit on a desk

Foto: Giorgio Tomassetti (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

Het hof van beroep Antwerpen heeft het faillissement van een besloten vennootschap bevestigd na een vordering van de FOD Financiën. De onderneming had een totale schuld van meer dan 17.000 euro opgebouwd, waarvan het leeuwendeel bestond uit achterstallige vennootschapsbelasting en bedrijfsvoorheffing. Omdat eerdere inningspogingen op niets uitdraaiden en de vennootschap in hoger beroep geen enkel bewijs van herwonnen krediet of liquiditeit neerlegde, oordeelde de rechter dat de wettelijke voorwaarden van duurzame betalingsstaking en geschokt krediet volledig vaststonden.

Bron: HvB Antwerpen 25 juni 2026, nr. 2026/AR/597. (opent in nieuw tabblad)

Wanneer een onderneming haar fiscale verplichtingen niet meer nakomt en schuldeisers geen betalingsuitstel meer toestaan, dreigt een gedwongen faillissement. Het hof van beroep Antwerpen heeft het faillissement van een jonge vennootschap definitief bevestigd na een vordering van de fiscus voor ruim 14.000 euro aan achterstallige belastingen.

De onderneming werd in het voorjaar van 2022 opgericht als besloten vennootschap. Enkele jaren later stapelden de onbetaalde vorderingen en aanslagen zich echter op, waarna de Federale Overheidsdienst Financiën (FOD Financiën) een procedure tot faillietverklaring startte wegens openstaande fiscale schulden.

Nadat de ondernemingsrechtbank Antwerpen het faillissement bij verstek had uitgesproken, tekende de vennootschap hoger beroep aan. Zij vorderde onder meer de vernietiging van het vonnis, de schorsing van het geding in afwachting van een strafprocedure en een schadevergoeding van 4.000 euro. Op de terechtzitting kwam de onderneming evenwel niet opdagen en zij diende evenmin stukken of conclusies in om haar verweer te onderbouwen.

Geen krediet meer

Het hof van beroep toetste de toestand aan artikel XX.99 van het Wetboek van Economisch Recht (WER). Die bepaling vereist dat de schuldenaar op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en dat zijn krediet geschokt is. De raadsheer herinnerde eraan dat die toetsing draait om het blijvende liquiditeitsgebrek en niet om de loutere solvabiliteit van de onderneming. Een algehele staking van alle betalingen is daarvoor niet vereist.

Uit het verificatie-proces-verbaal bleek een totale schuld van minstens 17.559,11 euro, waarvan 14.371,43 euro aan bevoorrechte fiscale schulden. Die omvatten aanslagen in de vennootschapsbelasting, bedrijfsvoorheffing en een administratieve boete. Bovendien hadden een gerechtsdeurwaarder en de curator eerder al processen-verbaal van insolvabiliteit en niet-bevinding opgesteld. Aangezien de fiscus geen uitstel meer verleende, bevestigde het hof het faillissement.

De uitspraak herinnert eraan dat hoger beroep tegen een faillissementsvonnis kansloos is wanneer een bestuurder nalaat om het beweerde krediet of de financiële levensvatbaarheid met concrete stukken aan te tonen. Zonder overtuigende cijfers of het aanzuiveren van opeisbare schulden leiden vage beweringen over tegenvorderingen niet tot het afwenden van het faillissement.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: HvB Antwerpen 25 juni 2026, nr. 2026/AR/597. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.