Fiscaal rechtVennootschapsrecht

Bestuurders blijven hoofdelijk aansprakelijk voor btw van gefailleerde vennootschap

Twee bestuurders moeten persoonlijk opdraaien voor ruim 106.000 euro aan onbetaalde btw. Het hof van beroep Gent oordeelt dat het faillissement van hun vennootschap hen niet bevrijdt van het wettelijke foutvermoeden.

person in black suit jacket holding white tablet computer

Foto: Towfiqu barbhuiya (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

Het hof van beroep Gent oordeelt dat twee bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor ruim 106.000 euro aan openstaande btw van hun gefailleerde vennootschap. Bij herhaalde wanbetaling geldt een wettelijk vermoeden van bestuursfout. Dat vermoeden vervalt volgens het hof niet door het faillissement wanneer de vennootschap de btw zeventien maanden lang als oneigenlijk krediet heeft gebruikt. De fiscus hoeft de vereffening van de failliete boedel bovendien niet af te wachten om de bestuurders aan te spreken.

Bron: HvB Gent 13 juli 2026, nr. 2025/AR/416. (opent in nieuw tabblad)

Wanneer een onderneming btw-schulden opstapelt, riskeert het bestuursorgaan persoonlijk voor de rekening op te draaien. Het hof van beroep Gent bevestigt dat twee bestuurders hoofdelijk moeten instaan voor meer dan 106.000 euro aan onbetaalde btw, ondanks het latere faillissement van hun vennootschap.

De twee bestuurders richtten eind 2020 de vennootschap op, maar lieten vanaf het najaar van 2022 na om de trimestriële btw door te storten. Na twee formele aanmaningen liep de achterstand op tot ruim 106.000 euro, waarna de ondernemingsrechtbank het faillissement uitsprak in januari 2024. De Belgische Staat vorderde vervolgens de persoonlijke veroordeling van beide bestuurders op grond van het Wetboek van minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (WMGI).

Die regeling bevat een wettelijk vermoeden van fout zodra een onderneming met kwartaalaangiften minstens twee opeisbare btw-schulden binnen het jaar onbetaald laat. De bestuurders betoogden dat dit vermoeden verviel omdat de niet-betaling het rechtstreekse gevolg was van de financiële nood die tot de faling had geleid.

Oneigenlijk krediet

Het hof verwerpt die stelling en oordeelt dat een faillissement het vermoeden van fout niet automatisch opheft. De niet-betaling moet het gevolg zijn van plotse en onvoorzienbare omstandigheden, terwijl de bestuurders hier zeventien maanden lang geïnde btw achterhielden. Het hof bestempelt dat als oneigenlijk krediet: btw-ontvangsten behoren niet toe aan het vermogen van de vennootschap, maar worden geïnd voor rekening van de Staat.

Ook het verweer dat een leverancier een bankvolmacht had bedongen en daarmee rekeningen leegtrok, bevrijdt het bestuur niet. Het toekennen van zo'n volmacht getuigt niet van zorgvuldig bestuur en ontneemt de bestuurders hun eindverantwoordelijkheid niet. Omdat de aansprakelijkheid hoofdelijk is, hoeft de fiscus bovendien niet te wachten op de afronding van het faillissement of een mogelijk dividend om het volledige bedrag bij de bestuurders op te eisen.

Voor bestuurders bevestigt het arrest dat een faillissement geen vrijgeleide biedt tegen fiscale aansprakelijkheid. Wie btw-ontvangsten langdurig gebruikt om operationele gaten te dichten, creëert een wettelijk vermoeden van fout dat achteraf bijzonder moeilijk te weerleggen valt.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: HvB Gent 13 juli 2026, nr. 2025/AR/416. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.