Fiscaal rechtInternationaal en Europees rechtMededinging & staatssteunVrij verkeer & interne markt

Belgische petroleumheffing schendt Europees recht niet, concludeert advocaat-generaal HvJ

De Belgische crisisheffing van 6,9 euro per ton verwerkte aardolie en 7,8 euro per kubieke meter brandstof doorstaat de Europese toets. Volgens de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie is noch de Europese crisisverordening, noch de Belgische omzetting onwettig.

Industrial complex illuminated at night against dark sky

Foto: waa towaw (opent in nieuw tabblad) op Unsplash (opent in nieuw tabblad)

Korte samenvatting

Advocaat-generaal Athanasios Rantos van het Hof van Justitie adviseert om de geldigheid van de Europese crisisverordening over de tijdelijke solidariteitsbijdrage in de energiesector te bevestigen. De rechtsgrondslag in artikel 122 VWEU volstaat en vereiste geen unanimiteit voor fiscale harmonisatie. Daarnaast oordeelt de advocaat-generaal dat de Belgische wet van 16 december 2022, die een solidariteitsheffing oplegde aan aardolieraffinaderijen en brandstofverdelers, beschouwd kan worden als een toelaatbare equivalente nationale maatregel. De heffing vormt noch een verboden douanerecht of discriminerende binnenlandse belasting, noch ongeoorloofde staatssteun voor uitgesloten sectoren zoals gas of steenkool.

Bron: HvJ 22 oktober 2026, nr. C-358/24. (opent in nieuw tabblad)

Met de wet van 16 december 2022 voerde de Belgische wetgever een tijdelijke solidariteitsbijdrage in voor aardolieraffinaderijen en groothandelaars in brandstoffen, om de uitzonderlijk hoge energiefacturen van gezinnen te verlichten. Verschillende petroleummaatschappijen, waaronder Varo Energy en Kuwait Petroleum, stapten naar het Grondwettelijk Hof om die heffing van 6,9 euro per ton verwerkte ruwe olie en 7,8 euro per kubieke meter vrijgegeven brandstof aan te vechten. Advocaat-generaal Athanasios Rantos van het Hof van Justitie (HvJ) concludeert nu dat de regeling de Europese toets doorstaat.

De oliemaatschappijen voerden in de eerste plaats aan dat de Europese noodverordening 2022/1854, die de basis vormde voor de heffing, nietig is. Volgens hen had de Europese Unie de solidariteitsbijdrage niet via een economische noodmaatregel bij gekwalificeerde meerderheid mogen aannemen, maar uitsluitend via de fiscale bevoegdheden die unanimiteit in de Raad vereisen.

De advocaat-generaal verwerpt die stelling. Artikel 122, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) biedt uitdrukkelijk een rechtsgrond om dringende economische maatregelen te nemen bij ernstige bevoorradingsproblemen in de energiesector. Dat de maatregel fiscaal van aard is, ontneemt de Unie niet de bevoegdheid om in een uitzonderlijke en tijdelijke crisissituatie op te treden.

Ruime nationale beleidsruimte

De petroleumsector hekelde vervolgens dat de Belgische wetgever de heffing berekende op verwerkte volumes en niet rechtstreeks op de overwinsten, en bovendien distributeurs viseerde terwijl gas- en steenkoolbedrijven buiten schot bleven. Volgens de advocaat-generaal laat de Europese verordening de lidstaten toe om een gelijkwaardige nationale maatregel uit te werken die aansluit bij hun specifieke energiemarkt.

Aangezien in België nauwelijks gas of steenkool wordt gewonnen, mocht de wetgever de heffing toespitsen op de petroleumsector en uitbreiden naar grote verdelers die minstens negentig procent van de markt bedienen. De wetgever heeft bovendien een correctiemechanisme ingebouwd zodat de opbrengst minstens gelijk is aan het Europese referentietarief.

Tot slot oordeelt de advocaat-generaal dat de bijdrage geen verkapte invoerheffing of discriminerende binnenlandse belasting vormt, omdat het belastbare feit het raffineren of in verbruik stellen is, ongeacht de herkomst van de olie. Ook van ongeoorloofde staatssteun is geen sprake, aangezien de niet-belaste ondernemingen zich door de Belgische marktstructuur in een wezenlijk andere situatie bevinden.

Als het Hof van Justitie deze conclusie volgt, behoudt België de opbrengsten van de crisisheffing en kan het Grondwettelijk Hof de vernietigingsberoepen van de oliesector grotendeels ongegrond verklaren. De uitspraak bakent bovendien de speelruimte af voor lidstaten om bij toekomstige energiecrisissen gerichte sectorheffingen op te leggen zonder in strijd te komen met de Europese verdragen.

Dit artikel is gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie, op basis van het originele brondocument: HvJ 22 oktober 2026, nr. C-358/24. (opent in nieuw tabblad) Lees meer over hoe we bij Ex Ante werken met kunstmatige intelligentie.